Duinstad Glasstad

FORECASTING PLANDEEL 2 HEERHUGOWAARD-ZUID

Beeld |Tekst |Data |Kaart |PDF


ontwerp van  Gilbert Koskamp en Arno van der Mark. (onder naam van DRFTWD)

INLEIDING

De vinex operatie loopt ten einde. De stedelijke herstructurering wordt geacht kwalitatieve verbetering van het woningenaanbod op gang brengen, waaronder mogelijk het particulier opdrachtgeverschap.

De te verwachten ontwikkeling van het woningaanbod zal verschuiven van een aanbod gerichte naar een vraag gestuurde markt. Dat zou kunnen betekenen dat de woonconsument een belangrijke rol wordt toe bedacht in het ontwerp en in het bouwproces dat hierop volgt.

Deze ontwikkeling wordt toegeschreven naar een overgangsperiode van een industriële naar een culturele productie in belevingsomgevingen. Hierdoor ontstaan verschuivingen en een andere ordening van economische en sociale relaties tussen publieke en private partners en consument. Ten gevolge hiervan zijn vraagstukken van woningbouw en environment steeds meer vervlochten met maatschappelijke items, zoals mobiliteit, milieu, veiligheid en zorg.

Elk van de genoemde veranderingen en daaraan verknoopte processen van totstandkoming zullen zich steeds vaker richten op de sociabiliteit van voorwaarden in onderlinge relatie met de betrokken partijen. Door deze hernieuwde perspectieven zullen scenarioplanning en culturele planologie hun intrede vinden. Collectiviteit en interactie worden hierbinnen sleutelbegrippen.

Conclusie / forecasting duinstad – glasstad Heerhugowaard geld als een culturele ontwikkelingsplanologie in onderzoek van ruimtelijke aanwijzingen, een taakstellende poging om aan geschetste ontwikkelingen een bijdrage te leveren. De resultaten worden uitgewerkt op basis van het bestemmingsplan, gezien in een perspectief van mogelijkheden en differentiatie van Mens – Ruimte oriëntaties.

Aandacht wordt geschonken aan trajectontwikkeling van site gebonden condities, een besloten prijsvraag van architecten, voorstellen individuele uitwerking van beeldende kunst en een publicatie.

Geen planning maar forecasting
Geen regels maar randvoorwaarden
Geen wijk maar domeinen

Terugkijkend naar de afgelopen 40 jaar zien we twee grootschalige ontwikkelingen die de woningbouw in deze periode grotendeels bepaald hebben. De VINEX operatie loopt ten einde en vraagt om een vervolg. De eenzijdigheid van deze operatie zal al snel om een grootschalige aanpassing van deze voorraad vragen. Tevens staat er een enorme herstructureringsopgave voor de deur. Een opgave die meer dan 60% van de totale woningvoorraad behelst.

De economische veranderingen in de jaren tachtig hebben geleid tot een hegemonie van de waarden van de markteconomie, waarvan de implicaties voor de ruimtelijke inrichting nog nauwelijks onderzocht zijn. Woningbouw is op het tweede plan geraakt, wat onder meer blijkt uit discussies omtrent VINEX-uitbreidingen en de herstructurering van naoorlogse wijken, en meer in het algemeen uit de stagnatie op de woningmarkt.

Zo kan niemand met een modaal inkomen nog een huis kopen, terwijl ook de huurmarkt op slot zit. Voor meer dan de helft van de Nederlanders is geschikte huisvesting een probleem geworden. Starters kunnen een eigen woning al helemaal vergeten. Verder hebben de ontwikkelingen omtrent huisvesting geleid tot een extra druk op het woon-werkverkeer, waar de
problemen zich blijven opstapelen. Ten slotte heeft zich tussen al deze ontwikkelingen door een discussie over veiligheid ontsponnen.

Om deze enorme woningbouwopgave in goede banen te leiden is het noodzakelijk om eenzelfde periode vooruit te kijken. Hoe zal de woningbouw in Nederland er in de komede 40 jaar uit gaan zien? Maar het maken van plannen voor een dergelijke periode is haast onmogelijk geworden door de complexiteit en onzekerheid van maatschappelijke ontwikkelingen. Ook de machtsverhoudingen zijn drastisch veranderd.

Wil de overheid nog een rol van betekenis blijven spelen in de ruimtelijke ontwikkeling en woningbouw zal zij moeten proberen weer een kennisbasis te ontwikkelen die haar in staat stelt haar positie als regisseur van ruimtelijke ontwikkelingen te handhaven. Maar ook de rol van de ontwikkelaars, corporaties en ontwerpers staat onder druk en zal drastisch veranderen onder invloed van diezelfde ontwikkelingen.

Het wordt tijd om het bestaande pad van top-down planning te verlaten en een nieuwe vorm van planning te ontwikkelen die enerzijds in staat is een duidelijke visie te verwoorden en deze te vertalen in heldere randvoorwaarden en anderzijds flexibel genoeg is om de complexiteit en onzekerheid van grootschalige maatschappelijke veranderingen op te vangen.

De herstructurering en VINEX stammen in die zin nog uit een periode van traditionele planning die hoofdzakelijk was gebaseerd op bouwvolume. Kwantiteit was maatgevend. Maar de steeds verdergaande culturele emancipatie en differentiatie en de toenemende invloed van de consument in het hele planproces vragen om een vorm van ontwikkelingsplanologie die de culturele diversiteit centraal stelt in het planproces.

We dienen binnen dit perspectief de positie van individuele woonruimten en werkplekken opnieuw te overdenken. De individuele woning kunnen we opvatten als basis, als vertrek- en aankomstpunt. De routes die mensen van hieruit volgen verbinden verschillende knooppunten en transferia met elkaar, de zogenaamde non-places in de theorie van Marc Augé, en de space of flows in de theorie van Manuel Castells. Als we de routes van individuen betrekken op deze gebieden, in plaats van de gebieden op zichzelf te bezien, dan kunnen we ze opvatten als ‘transferische domeinen’. Het gegeven van transfer, de overgang van de ene naar de andere ruimte, kan worden benadrukt door deze inzichtelijk te maken en verder uit te buiten. Het private en het publieke, het interieure en het exterieure worden op elkaar betrokken, waarbij een belangrijke rol wordt toebedeeld aan zogenaamde ‘tussenruimten’.

De reden voor dit project is een disciplinair engagement met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkelingen in Nederland. Wij zijn van mening dat de meervoudigheid van de maatschappelijke condities te weinig worden weerspiegeld in de ruimtelijke ontwerppraktijk. In vergelijking met andere sectoren, zoals die van de mode of de automobiliteit, lijkt er een inhaalslag gemaakt te moeten worden. Hoewel er de laatste tien jaar verschillende theoretische kaders zijn ontwikkeld met betrekking tot architectuur en stedelijkheid, door filosofen en sociaal wetenschappers, evenals architecten, en ook cultuurconcepten uit de jaren vijftig en zestig weer opnieuw actueel zijn, daar lijkt er echter een gapend gat te bestaan tussen theorie en praktijk. De ruimtelijke disciplines lijken afgeschermd te zijn van de mondiale transformaties en inzichten die zich momenteel voordoen. In ontwerpen wordt er hooguit naar verwezen, maar de transformaties worden er grosso modo niet in opgenomen, laat staan dat ze erdoor worden gegenereerd. Hiermee is niet gezegd dat er ruimtelijk gezien geen ontwikkelingen plaatsvinden, integendeel. Maar deze ontwikkelingen lijken hun eigen gang te gaan zonder intelligente interventie van ontwerpers. En daar waar wel de nodige experimenten plaatsvinden, daar lijken deze niet of nauwelijks te worden opgemerkt, of anderszins krijgen deze geen gevolg. Waar het mogelijkerwijze niet ligt aan de goede wil van ontwerpers, ook al weet men niet in welke richting men het moet zoeken, daar ligt het op z’n minst aan de routines van de disciplinaire praktijk en het bevroren equilibrium tussen de verschillende partijen: overheid, ontwikkelaars, architecten, makelaars, banken, gebruikers. Er lijkt zich een situatie voor te doen die nog het beste te omschrijven valt als ‘sur-place’, evenwicht door stilstand. Deze term uit de wielersport impliceert echter ook de acceleratie die op een gegeven moment moet plaatsvinden en de daverende sprint die er het gevolg van is.

Kortom, de woningbouw in Nederland verkeert momenteel in een impasse. De huidige organisatiestructuur voor productie, distributie en consumptie is niet in staat om in te spelen op de ophanden zijnde verschuiving van een aanbodberichte naar een vraaggestuurde markt.

De (ontwerp)instrumenten die binnen de opgave voor Heerhugowaard worden ontwikkeld moeten worden gezien binnen een belangrijke bijdrage aan deze grootschalige vernieuwing van de woningbouw. Hoewel de instrumenten specifiek worden ontwikkeld voor deze concrete opgave vormen zij een eerste aanzet om te komen tot een nieuw model van productie, distributie en consumptie van de woningbouw op nationaal niveau. Deze schaalvergroting en abstrahering van de instrumenten wordt nadrukkelijk meegenomen binnen dit project.

VRAAGSTELLING

De woningbouwopgave in Nederland raakt steeds verder ingesnoerd tussen consumentenbelangen en risicomanagement. Aan de ene kant eist de mondige consument steeds eerder en steeds vaker een rol op in het woningbouwproces. Deze rol is dubbelzinnig. Aan de ene kant eist de consument steeds meer keuzevrijheid en zeggenschap maar aan de andere kant wil hij/zij eigenlijk het gemak waarin alles voor hem of haar geregeld wordt en een woning die exact bij hem of haar past.

Maar tegelijkertijd wordt dit woningbouwproces steeds meer van buitenaf gereguleerd door algemeen beleid op het gebied van veiligheid, mobiliteit en duurzaamheid. Ook dit is een dubbelzinnig proces waarin men aan de ene kant probeert ruimte te bieden voor de vrijheid en eigen verantwoordelijkheid van mensen en aan de andere kant geconfronteerd wordt met een algemene roep tot handhaving en zelfs verbetering van de veiligheid.

De vraag is dan ook hoe binnen een proces dat steeds verder verknoopt raakt met belangen, eisen en wensen van buitenaf nog een visie ontwikkeld kan worden over wonen. Een visie die juist in staat is overeind te blijven in dit complexe proces van gebiedsontwikkeling en antwoorden weet te bieden op de dubbelzinnigeheid van een conditie van veilige vrijheid en een vraag naar massa-maatwerk.

Is het mogelijk om faciliteiten te ontwikkelen waarmee individuele betrokkenheid en deelname in de publieke sfeer mogelijk wordt gemaakt? Op welke wijze kunnen individuen een persoonlijke stempel drukken op de omgeving. Hoe kunnen ruimten gebruikt worden als communicatiemiddel?

Wat zijn de voorwaarden en de voorzieningen die daarvoor nodig zijn? Wij willen deze vragen beantwoorden en mogelijkheden scheppen voor individuen om eigen plekken te vinden in het stedelijke landschap, plekken die de mogelijkheid bieden voor individuele manifestaties in en met de ruimte. Belangrijk is dat individuen de hen omringende ruimte kunnen aanpassen en kunnen toe-eigenen, de ruimte inzetbaar maken. Daartoe willen wij streven naar ‘gefaciliteerde leegte als leefomgeving’. De kwestie van een gedifferentieerde publieke sfeer komt voort uit een toename van verschillende leefwijzen en behoeften. Dit wordt in hoge mate veroorzaakt door de opkomst van de netwerksamenleving, gekenmerkt door grote mobiliteit en snelle uitwisseling van informatie en goederen. Vanuit dit gegeven is ook de vraag belangrijk hoe structurele zaken zich verhouden tot beweging en verandering.

DOELSTELLING

De doelstelling van dit project is het ontwikkelen van een nieuwe visie over woningbouw in Nederland en de ontwikkeling van een organisatiestructuur die deze visie ook daadwerkelijk kan realiseren. De opgave voor de ontwikkeling van 550 woningen in Heerhugowaard dient hierbij als concreet uitgangspunt. De ideeën die binnen deze opgave ontwikkeld worden dienen als basis voor een meer algemene visie over woningbouw, stedenbouw en landschap. Het project wijkt hiermee af van de gangbare top-down benadering maar probeert juist vanuit een concrete fysieke, sociale, culturele en economische context te komen tot nieuwe ideeën.

Het project hanteert daarmee twee verschillende schaalniveaus. Het eerste schaalniveau behelst de opgave om een aantal instrumenten te ontwikkelen die het ontwerp en de realisatie van de woningbouwlocatie in Heerhugowaard kunnen sturen. Op basis hiervan zal vervolgens een meer algemene visie ontwikkeld worden over de woningbouwopgave in Nederland in de komende jaren. Deze visie wordt vervat in de term culturele ontwikkelingsplanologie. Tenslotte zal aan de hand van deze visie bekeken worden welke concrete consequenties deze ontwikkelingen zullen hebben voor alle betrokken partijen.

Binnen de architectuur, de stedenbouw en het publieke domein is een leemte ontstaan die door de huidige marktpartijen niet kan worden opgevuld, door het ontbreken van een centraal kader. Het gaat hier om een creatieve herschikking van ruimtegebruik, het omzetten van functies, het benutten, uitbouwen en transformeren van reeds bestaande middelen en systemen. Er dienen koppelingen te worden gemaakt tussen verschillende schaalniveaus en maatschappelijke processen. Dit betekent onder meer het herijken van de relatie tussen productie, distributie en consumptie van ruimte. De consument zal naar ons idee meer beschouwd moeten worden als producent. Daarmee is een belangrijk oogmerk van dit project het communiceren van inzichten aan derden, om zodoende te komen tot nieuwe vormen van samenwerking en interactie.

UITWERKINGEN

I forecasting

Forecasting gaat in tegenstelling tot traditionele planning niet uit van prognoses. Prognoses gaan uit van gegevens uit het verleden en verliezen hun voorspellende waarde in een situatie van grote veranderingen. Forecasting richt zich op de structurele onzekerheden in de omgeving waarin een organisatie opereert. Forecasting begint met het besef dat men deze onzekerheden niet onder controle heeft en ook niet zal krijgen. Op basis van deze onzekerheden worden een aantal scenario’s ontwikkeld die allemaal even plausibel en intern consistent zijn. Men bouwt hiermee een referentiekader op waardoor men reeds in een vroeg stadium alert is voor nog onbeduidende signalen en kan vasthouden aan een consistent beeld, verhaal of idee als basis voor de planvorming.

Forecasting biedt de mogelijkheid tot een soort versnelde geschiedschrijving. Het is een poging de locatie te verbinden met actuele ontwikkelingen, fysieke aanknopingspunten en ander materiaal dat kan bijdragen aan het opbouwen van een narratieve context. Deze narratieve context kan vervolgens als katalysator gebruikt worden in de verdere planvorming. Het is het begin van een zich langzaam ontwikkelend en uitbreidend verhaal over wonen op een specifieke plek. Het zal zich langzaam opsplitsen in steeds meer gepersonaliseerde verhalen over het wonen op een specifieke plek.

Door in een vroeg stadium na te denken over de culturele achtergrond van het wonen op een specifieke plek wordt het gedurende het proces voor de betrokken partijen steeds makkelijker aan te haken bij en in te spelen op het verhaal van deze plek en zo invulling te geven aan de persoonlijke rol binnen dit verhaal.

II ontwerp

Het bouwen wordt steeds meer een maatschappelijk proces waarin de belangrijkste beslissingen worden genomen binnen het kader van een overlegcultuur. De kosten die zijn verbonden aan de maatschappelijke inbedding van bouwprojecten nemen enorm toe. Bouwen is gebiedsontwikkeling geworden. Het ontwerp, als een vorm van culturele ontwikkelingsplanologie, fungeert als breekijzer in de communicatie tussen de verschillende partijen die betrokken zijn bij het ontwerpproces.

Het ontwerp fungeert als interface, als integrator van randvoorwaarden en verlangens. Op basis van de randvoorwaarden die worden ingegeven door het proces van forecasting kunnen (spel)regels opgesteld worden waarbinnen de vrijheid (of zelfs de betrokkenheid) van de consumenten gestalte kan krijgen.



Reactiemogelijkheid gesloten